De geschiedenis van onze federatie is zeker de moeite waard om even bij stil te staan. Het gaat immers om het verhaal van één van de oudst bergsportorganisaties in de wereld en deze historie is op haar beurt weer verweven met belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de bergsport.
18 februari 1883.....
Onze landgenoten François Crépin, een vooraanstaand botanicus,en Albert Dubois, advocaat en schrijver, zijn al verschillende jaren lid van de Franse Alpen Club. Zij zijn overigens niet de enige Belgen en dat weten ze maar al te best. Zij achten dan ook de tijd gekomen om in België een eigen nationale alpenclub op te richten (in die periode waren Alpen en bergsport één). Rond de twee initiatiefnemers scharen zich enkele bergvrienden en zo ziet de Belgische Alpenclub het daglicht.
Het eerste clublokaal wordt gevestigd in de Nationale Kruidtuin, waarvan Crépin directeur is. Weldra telt de Club een honderdtal leden. Een van hen is de grootindustrieel Ernest Solvay, wiens naam in de wereld van het alpinisme steeds verbonden zal blijven met de schuilhut die hij op de beroemde Hörnligraat van de Matterhorn liet bouwen.
Vele jaren gaan voorbij. Het dynamisme van de nieuwe secretaris-generaal Xavier de Grunne zorgt ervoor dat omstreeks 1930 aan de meeste universiteiten onderafdelingen van de Club opgericht worden. Een eerste gewestafdeling komt er dankzij René Maillieux in Luik, en weldra is er ook een Naamse sectie.
Op
zoek naar geschikte oefenterreinen ontdekken de jonge Belgische klimmers
stilaan de gekende rotsmassieven van onze Ardennen : Chaleux in de Lessevallei,
de Beiaardrots te Dinant, het massief van Marche-les-Dames, de rotsen
van Sy en Hotton langs de Ourthe en vooral Freyr, dat twintig jaar later
in heel Europa bekend zal zijn voor zijn rotsen waarop zelfs de grootste
namen van het alpinisme zich komen meten. Xavier de Grunne (op de foto
in actie in Yvoir) opende er overigens zelf de eerste klimroute, die nog
steeds zijn naam draagt.
En onze voorgangers gaan ermee door : in 1931 beklimmen ze de massieven van de Merinos' en de Familiale', in 1933 de Jeunesse' en de Al' Lègne'. Deze route verdient overigens een aparte vermelding, enerzijds als ontsluiting van de hoogste rots van België (125 m) en anderzijds omdat enkele van de meest hardnekkige belagers niemand minder zijn dan Koning Albert I en zijn zoon, Prins Leopold, die tot de beste rotsklimmers van hun tijd behoorden. Heel wat zekeringshaken, die toen bij ons haast onvindbaar waren, zijn gesmeed in de werkplaats van het kasteel van Laken.
In 1932 vertrekt dan de eerste overzeese expeditie van de Belgische Alpenclub, met als doel het Ruwenzorimassief in Midden-Afrika. Onze alpinisten slagen er in de tweede beklimming van de toppen Margherita (5125 m), Alexandra (5105 m) en Helena (5050 m) en overwinnen er als eerste de laatste nog maagdelijke top, die zij Pointe Albert (5200 m) dopen.
Vanaf 1932 ziet men trouwens onze leden aan het werk in de hele Alpen : Mont Blanc-massief, Wallis, Engadin, Oisans, Dolomieten. Alle klassieke klimroutes moeten eraan geloven. Ook begint men nu meestal zonder plaatselijke berggids te klimmen. De Tweede Wereldoorlog betekent een omzeggens volkomen onderbreking in het clubleven.
Maar in 1951
treffen we de gebroeders Mailleux (René Mallieux, tweede van links,
André Mallieux, uiterst rechts) en Jacques Jongen aan als deelnemers
aan een Frans-Belgische expeditie (zie foto) in de Peruviaanse Cordillera
Blanca. Alpamayo (6100 m) en Nevado Pisco worden door hen beklommen; zij
zijn de eerste Belgen op deze toppen. In 1961 eindigt een expeditie naar
Groenland op tragische wijze met de dood van 4 van onze beste alpinisten.
In het begin van de jaren zestig ondergaat onze club een nieuwe impuls onder invloed van een nieuwe generatie topklimmers, zoals Jean Alzetta, André Capel, Jean Bourgois en Claude Barbier, die een van de beste soloklimmers in de Dolomieten zou worden. Sommige van zijn exploten werden nog steeds niet herhaald.
In dezelfde periode worden verder nieuwe secties opgericht zoals, Antwerpen, Charleroi en Brussel. Stages en hoogtekampen worden van dan af aan georganiseerd in Les Houches (bij Chamonix) om de leden vertrouwd te maken met de specifieke technieken van het hooggebergte. De beste alpinisten onder onze leden beklimmen één voor één de allermoeilijkste routes van de Alpen.
Vanaf 1974 vertrekken er ook steeds meer expedities naar alle uithoeken van de wereld om er ongenaakbare toppen te veroveren : naar de Andes in Peru, Chili en Patagonië, naar de Rocky Mountains in Noord-Canada en Alaska, naar de Ruwenzori en Mount Kenya in Afrika, naar de Kaukasus en Pamir, naar de Karakorum en de Himalaya en zelfs naar Nieuw-Guinea.
In 1978 wordt de nationale vereniging gesplitst in een Nederlandstalige en Franstalige Vleugel van de Belgische Alpenclub. Als band tussen beide vleugels ontstaat de CAB-BAC, Nationale Federatie.
We
moeten wel wachten tot 1982 tot de eerste leden van de club, overigens
ook de eerste Belgen, de top van een berg boven 8000 m bereiken (Dhaulagiri
8167 m). Het betekent het startsein voor het organiseren van meerdere
expedities naar de Himalaya. De mensen die in 1982 de top bereiten zouden
ook later een vooraanstaande rol blijven spelen in het Belgische alpine
leven.
Jan Vanhees en Lut Vivijs hebben de smaak te pakken en de daaropvolgende jaren voegen ze de Nanga Parbat (8125 m) en de Gasherbrum II (8035 m) aan hun lijstje toe, waardoor zij een tijdlang 'het koppel met het meeste achtduizenders ter wereld' worden. Uit dezelfde 'groep van 82' komt een klimmer naar voor met internationale expeditie-allures: Rudy Van Snick.
Als eerste Belg bereikt Rudy in 1992 de top van de hoogste berg ter wereld, de Mount Everest (8846 m), die hij op basis van zijn jarenlange, wereldwijd opgedane ervaring weet te overwinnen. Ondertussen is hij er ook in geslaagd de hoogste top van elk van de 7 continenten te bereiken.
In 1988 doet ook Ingrid Bayens haar intrede in het achtduizender-circuit door (samen met Jan en Lut) de Gasherbrum II te beklimmen (8035 m), waarna nog de Dhaulagiri (8167 m), de Annapurna (8091 m) en uiteindelijk de Mount Everest volgen. Door deze prestaties verwerft zij internationaal aanzien, omdat zij in die periode de enige in leven zijnde vrouw is die vier achtduizenders op haar naam heeft staan !
De BAC-leden blijven actief in de Himalaya en zo worden systematisch bijna alle achtduizenders beklommen...
Het vermelden waard is ook dat sinds de oprichting van de BAC de Koning steeds het Ere-voorzitterschap van de club heeft waargenomen (Koning Albert, Koning Leopold III, Koning Boudewijn en Koning Albert II).
Bron : Borlée Jacques, De Freyr à L'Himalalaya - les Grandes heures de l'alpinisme belge, Buxelles, 1987.